Waar Frederik zich mee bezighoudt

Ecomodernisme

Een boekentip
Begin juli 2018 kreeg ik het boek ‘Ecomodernisme’ in handen. Ik mocht het lenen van mijn neef Marcus, een ecoloog. Hij liet in het midden waarom hij het me aanraadde, maar noemde wel dat hij het vond passen bij het gesprek wat wij in zijn tuin in Den Haag hadden gehad.
We spraken toen over de nuances in het denken over milieuproblematiek, en ook of elke ecoloog die problematiek onderkende. Marcus’ antwoord was simpel: “Nee, het zijn ook gewoon mensen. Sommigen doen gewoon hun werk, klaar.” Daarmee was niet gezegd dat wij beide hetzelfde beeld hadden van het probleem of dat we het met elkaar eens waren. Marcus kende ik als een idealist die graag in de natuur is, en daar nu z’n werk van heeft kunnen maken. Dat werk geeft hem dat tweede, in de natuur zijn, maar lijkt de scherpe randjes van het eerste af te hebben gehaald. Of misschien komt het door iets anders. Hij was minder uitgesproken dan vroeger en erkende dat hij zoekende is naar hoe die vroegere idealen leefbaar kunnen worden met een gezin met inmiddels drie kiddo’s in een rijtjeshuis aan de rand van Den Haag centrum.

Ik ben een verkenner in het onderwerp ‘klimaatverandering’. Ik ben geen ecoloog en heb geen officiële studie gedaan die me daar wetenschappelijke inzichten in geeft. Wel heb ik een observerende aard, een onstilbare honger naar kennis, een wetenschappelijke manier van denken en probeer pijnlijke waarheden niet te vermijden. Ik heb me het nieuws over het klimaat veel aangetrokken en ben op zoek gegaan naar hoe ik me ertoe kan verhouden en dat vind ik niet altijd makkelijk.
In ons gesprek gingen het tussen Marcus en mij vooral over de invloed van de mens in de natuur. Zou een mens juist van de natuur moeten afblijven, hem moeten cultiveren of als een goed herder zich af en toe op de juiste momenten moeten bemoeien met zaken? We kwamen niet tot een punt, maar het was de aanleiding voor hem om mij dit boek te lenen. Ik besloot het meteen in de trein terug naar Tilburg te beginnen met lezen en omdat het boek mij zo verraste, kwam het in mij op mijn opmerkingen te noteren, waar het volgend verslag resultaat van is. Mijn eerste boekverslag sinds de middelbare school. En mijn eerste zelfgeschreven boekverslag ooit (sorry meneer Van der Meijden).

Een disclaimer
Dit boekverslag druist in tegen alles wat ik praktisch heb geleerd op de middelbare school. Ik heb namelijk niets opgezocht. Geen achtergrond over de auteurs. Geen extra informatie over de betrokken onderwerpen. En, nee, zeker geen verslagen van anderen dit keer. Een poging om mijn eigen gedachten te ordenen en te tonen dus.

Een overzicht
Het boek heeft als ondertitel ‘het nieuwe denken over groen en groei’ en wil een bepaalde stroming in Nederland introduceren; Ecomodernisme. Het lijkt soms te flirten met een beschouwende/neutrale manier van reflecteren, maar eigenlijk is het heel duidelijk een boek met de missie deze stroming als nieuwe Groene Waarheid neer te zetten. Het verbergt dat niet, gezien de eerste hoofdstukken dienen als onderlegger voor het het laatste hoofdstuk: ‘het Ecomodernistisch Manifest’.
Nieuw is de stroming niet, maar het is volgens de auteurs nog niet genoeg bekend in Nederland en België. Zonder het manifest mee te rekenen, schreven er 7 auteurs uit Nederland en België aan dit boek mee. Elk hoofdstuk is een ‘lezing’ door een, twee of drie van die auteurs en pakt een bepaald onderwerp of invalshoek aan om het ecomodernistische standpunt proberen te verduidelijken.
De inhoudsopgave doet anders vermoeden, maar een gestructureerde uiteenzetting is het niet. Het lijkt een bloemlezing van verschillende essays, die wellicht elders al eerder het licht zagen. In deze essays pogen de auteurs ecomodernisme uit te leggen, vooral door zich af te zetten tegen andere zienswijzes.

Een conclusie
Onderstaand commentaar is nogal lang geworden. Daarom hierbij een korte samenvatting. Natuurlijk raad ik je aan de rest te lezen, zodat we daar hopelijk mooi over in gesprek kunnen gaan. Maar voor de vluchtige lezer eerst de samenvatting met spoilers:
Het boek was voor mij een welkome andere wind in wat ik gewend ben te lezen. Mijn boekenstapel bevat namelijk normaliter goed onderbouwde filosofische of maatschappelijke exploraties, die een praktische vertaalslag mogelijk maken en die me dan vaak sterken in ontspullen, mededogen of een psychologische inzicht wat ik niet eerder had. Bovenal dragen ze vaak bij aan een soort nederigheid, een besef dat dit soort problematiek geen quick wins kent en dat we door het stof moeten om erachter te komen hoe we eruit komen en dat het goed zou kunnen dat we minder adaptief blijken dan de afgelopen 100.000 jaar is gebeurd. Dit boek is geen van die dingen voor mij
Een ander geluid dus, en daarmee welkom voor het contrast en een uitstapje buiten m’n bubbel. Een inspirerend geluid? Nee, ik raad mezelf en anderen af om de gedachtepaden van dit boek over te nemen. Ik lees een poging tot wat ik ‘intellectueel struisvogelgedrag’ noem. Een pseudo-beschouwende vertelling waarmee een kapitalistische consumptie levensstijl, en de 100 jaar industrialisatie die daarvoor nodig was, wordt goedgepraat, opgehemeld en vooral in stand wordt gehouden. Je zou bijna denken dat dit geschreven is door ontkenners van het klimaatprobleem, maar dat is niet zo. Het boek erkent klimaatproblematiek en biedt alternatieve zienswijzes voor oplossingen. Maar nergens lees ik een gedegen afweging van de kritiek die op hun ‘oplossingen’ wordt geleverd (zoals door Naomi Klein) en tevens spreekt het boek weinig tot niet over wat mij nog steeds als de meest urgente oplossing toestaat: consuminderen.
Ik denk dat Boudewijn de Groot de auteurs van dit boek zou toezingen met de volgende woorden:
Meneer de journalist, welterusten.
Slaap maar lekker in je mooie witte huis.
Denk maar niet te veel aan de Groningse kusten
waar arme mensen zitten, scheef, voor ’t gas van uw fornuis.

Een uitgebreid commentaar
Ecomodernisten en hun liefde voor stro
Het boek begint met een beschrijving van het, zo zeggen zij, “heldere” signalement van de ‘groene levensstijl’. Een karikatuur volgt van ‘de Groene’, een beeld dat ‘de Groenen’ er eenzelfde pakket waarden en levensstijl op na willen houden en daarmee de politieke agenda wil domineren. Een bedoelde karikatuur, want de ecomodernist, zo lezen we, wil niet onder dat beeld vallen. De ecomodernist is een ‘nieuwe groene’. Onschuldig begin, zo lijkt het. Als schrijver moet je je soms inlaten met een ogenschijnlijke beschuldiging, zodat je je daar tegen af kunt zetten om je punt wat te verhelderen. Maar wat me verbaasd is dat de eerste paar hoofdstukken, zo niet het hele boek, zich blijft afzetten tegen het karikatuur wat het zelf beschrijft op de eerste bladzijde. Een schadelijke vorm van redeneren voor de gehele, en gevarieerde, groep van ‘groenen’.
Vaak gaat dat redeneren namelijk in een vorm waarin er een bepaald wetenschappelijk erkent probleem wordt aangehaald om daar het (verzonnen) antwoord vanuit de karikatuur op te geven, het beeld gevend dat ‘de Groene’ er vrij simplistische en domme oplossing op na houdt. Vervolgens doet de Reddende Ecomodernist zijn intrede en redt de wereld van de Domme Groene door een genuanceerdere oplossing te geven die vaak als fundament heeft dat we vertrouwen moeten hebben in technologische vooruitgang. Een lezer wordt op het been gezet te kiezen voor de ecomodernist, want de oplossing van ‘de Groene’ is onnavolgbaar en veel te kiezen lijkt er niet. Jammer, want dat is er natuurlijk wel zo. Er zijn talloze verschillen tussen de “Groenen”. Én de vraag is of we ons heil (op tijd) zullen vinden in de technologie.
Zo’n vorm van redeneren, of eigenlijk drogredeneren, noemt men een stroman of stropopredenering. De aard is vrij simpel: trek het standpunt van je tegenstander in het absurde, dan win je een discussie makkelijk zonder zelf uitleg te geven aan je eigen standpunt. En dat is waar dit boek bol mee staat. Helaas, want het betekent dat Ecomodernisme eigenlijk niet wordt uitgelegd en dat alle andere ‘groene’ stromingen op één hoop worden gegooid, en omgetoverd tot een moeilijk te geloven stroman. Voor de welwillende, maar nadenkende, lezer wordt echter het tegenovergestelde bereikt: Ecomodernisme doet erg naïef en ongeloofwaardig aan. Het lijkt een handreiking te doen aan degene die baat hebben bij kapitalistische consumptielevenstijl en zichzelf tot ‘groen’ willen noemen zodat ze rustig kunnen slapen. Maar misschien is dat helemaal niet zo, ecomodernisten bestaan er ook in alle soorten en maten. Helaas pretendeert dit boek om daar uitleg aan te geven, zonder dat het daarin slaagt. Het is een pamflet om mensen op een irrationeel niveau te overtuigen ten koste van ‘de Groenen’. Waarom die strijd aangaan, vraag ik me af…

Ecomodernisten en hun liefde voor welvaart
Op bladzijde 19 begint het eerste hoofdstuk met de volgende redenering:
“Stel, er was een brandstof die ervoor zorgde dat we het leven van miljarden mensen aangenaam konden maken. Een brandstof die [lijst van allerlei goede eigenschappen]. Daar zouden we veel voor over hebben, nietwaar? Welnu, zulke brandstof bestáát. Steenkool, olie en aardgas doen al deze dingen.” En vervolgens vult het hoofdstuk zich met wat er allemaal is bereikt door ‘ons’ sinds we fossiele brandstof kunnen benutten op grote schaal. En ja, natuurlijk is er veel verandert in hoe en wat we produceren, maar het gaat erg ver om te concluderen: “de wereld is nog niet klaar voor een requiem voor fossiele brandstoffen”. Dit argument en de conclusie zijn op veel vlakken vreemd.
Wat me als eerste opviel was dat er veel van ‘we’ wordt gesproken, terwijl er heel duidelijk de westerse samenleving wordt bedoeld. Dit terwijl klimaatproblematiek een wereldwijd probleem is, en ‘we’ dus de Grote WE zou moeten betreffen: iedereen op aarde. Indien de problematiek de vormen krijgt die wetenschappers voorspellen, zullen maar weinig mensen aan ingrijpende veranderingen ontsnappen. Dat de auteurs zich alleen richten op de welvaart die de westerse samenleving ten goede is gekomen is gek. Het is duidelijk dat die welvaart wordt gedragen door de schouders van andere culturen. Dat zij buiten beschouwing worden gelaten is onvolledig en gek. Juist deze culturen ondervinden de lasten. Het antwoord van de auteurs is dat deze culturen de lasten ervaart, omdat zij de ontwikkeling die wij kennen nog niet hebben doorgemaakt. Juist doorontwikkelen is de oplossing. Maar wie gaat daar dan de lasten van dragen? Daar gaan de auteurs niet op in, de lasten komen niet aan bod.
Daarnaast is er de stelling dat ‘we’ zo afhankelijk zijn van fossiele brandstof, dat ‘we’ er niet vanaf kunnen. Dat is simpelweg onzin. Misschien bedoelen ze hier wederom alleen de westerse consumptiemaatschappijen. Een groot gedeelte van de mensheid leeft niet in zo’n mate van afhankelijkheid van fossiele brandstoffen als je de westerse levensstijl niet voorop zou stellen. Daarnaast kunnen zelfs die samenlevingen zonder fossiele brandstoffen, volgens sommige schrijvers en onderzoekers (voorbeeld, voorbeeld en voorbeeld).
Als reactie op de uitingen van voorstanders van hernieuwbare energie schrijven ze: “onzettend prijzig en zelf niet meer bepalen wanneer je energie verbruikt”. Het appeleert aan een gevoel ‘dat moet je toch niet willen….’, maar inhoudelijk gaat het niet in op de argumenten van de hernieuwbare hoek. Goede gezondheidszorg is ook duur en kan je niet volledig naar ieders wens inrichten, is het daarmee slecht? Of is het daarmee realistisch?
Wellicht zien de ecomodernisten gaten in de bewijsvoering, maar door niet in te gaan op deze argumenten en zich alleen op de baten van de westerse samenleving te richten, blijft er alleen een vreemde stelling over zonder inhoud.

Om even deze uitwisseling in het absurde te trekken:
[Ecomodernist] Fossiele brandstoffen zijn oké, want het leidt tot nuttige dingen zoals wasmachines.
[ik] Maar alle vernietiging en armoede waar die industrie toe leidt dan?
[E] Welke vernietiging en armoede? Dat komt alleen omdat die mensen nog niet de wonderschone fossiele brandstof aanbidden…
[ik] Ja, maar wij delven de grondstoffen veelal uit die landen. Wij worden daar rijk van, maar zij kunnen het zelf niet betalen. Onze rijkdom hangt samen met hun armoede.
[E] (kijkt weg)
[ik] En kan je niet de was doen met de hand?
[E] Onzin, dat wil toch niemand. Dat is barbaars.

De essays lijken geschreven vanuit een zienswijze dat de kapitalistische consumptie-levensstijl gered moet en kan worden. Waarom blijft onduidelijk. Ik ga erin mee dat sommige van onze westerse privileges, te danken de inzet van fossiele brandstoffen, zeker benoemd en beschermd mogen worden door ‘Groenen’. Gezondheidszorg, toegankelijk onderwijs, et cetera. En volgens mij doen dat er ook veel. Maar dit betekent niet dat de brandstof niet vervangen kan worden. Daarnaast gebruiken we fossiele brandstof veel (misschien zelf wel vooral) voor dingen die niet echt een groot menselijk moreel nut hebben. Is het dan niet éérst nodig dat we daar eens met z’n allen kritischer in worden?
Daarnaast deel ik de mening van de auteurs dat het nuttig is om meer open te staan voor kernenergie. Maar om nou te zeggen dat alle Groenen tegen kernenergie zijn, dat is vreemd. Kernenergie is in theorie erg gevaarlijk en heeft een geschiedenis die dat praktisch bewijst. Dat mag je niet ontkennen, maar tevens is de potentie van deze energiebron enorm, en een stuk minder schadelijk (als er niets misgaat) dan fossiele brandstof. Maar als de adoptie van kernenergie gepaard gaat met het negeren van de oproep minder te consumeren, dan denk ik dat het dweilen is met de kraan open.
En dat is waar de 100% Hernieuwbare Energie-beweging ook vaak naar wijst; we hebben nieuwe energiebronnen nodig, maar nog harder hebben we een nieuw economisch model nodig. Een model wat niet gefundeerd is op een constante toename van consumptie, maar op een andere manier van omgaan met elkaar en met waarde. Maar daar geven deze ecomodernistische auteurs geen thuis.
Terug naar het boek. Daar blijkt de oproep om fossiele brandstof aardiger aan te kijken dus een lege roep, niet onderbouwd. Daarmee wordt het een politieke, geen inhoudelijke, uiteenzetting. Het is stellingname, geen onderzoek. En dan vraag ik me als lezer af: Waarom? Wat willen ze beschermen? Ik vind geen direct antwoord en krijg een vreemd gevoel in m’n maag.

Ecomodernisten en hun liefde voor hypermodern schoonmaken
De auteurs komen vaak terug op onze (westerlingen) unieke taak in de menselijke geschiedenis; dat we een grote hoop shit moet opruimen. Maar dat doen ze op aparte wijze. Zo schrijven ze bijvoorbeeld: “Dankzij de welvaart, gebouwd op fossiele brandstoffen, hebben we de luxe te werken aan deze schone omgeving.” … … … Absoluut foutief en krom geredeneerd. Er niets ‘luxe’ aan die taak en hij is ook niet zo uniek. Neem bijvoorbeeld culturen waarin harmonie met de natuur werd geëerd, culturen op basis van geven en nemen. Deze culturen werden niet gedreven op fossiele brandstoffen en ze konden ook de ‘luxe’ nemen op hun omgeving schoon of harmonieus te houden. Of denk aan de groenen van voor de industriële revolutie, zoals Henry David Thoreau. Zij verdedigden geen strijd tegen een zonde of probleem, zijn verdedigden een deugd.
Daarnaast is de wereld pas ‘vies’ geworden sínds onze welvaart, hij wás schoon daarvoor. We zijn hem niet nu éíndelijk schoon gaan maken, we hebben hem eerst vies gemaakt. Een beeldende manier van wat deze auteurs beweren is de volgende metafoor:
Iemand haalt allerlei takken uit het bos z’n huis in. Er ontstaat een grote zooi van verschillende hopen takken en het gesleep met al die dingen laat eigenlijk niets heel van meubels en vloer. Dan, te midden van de zooi, ontdekt hij dat door een aantal takjes te bundelen hij een ding kan maken om de zooi aan de kant te vegen. Hij noemt het bezem. Vervolgens veegt hij zijn kamer schoon en de takken naar buiten. Op straat roept hij uit: “Ik ben een uitvinder! Ik vond de bezem uit! Ik eer alle takken die ik naar binnen heb gesleept, zonder hen had ik nooit de bezem uitgevonden! Laten wij de zooi met takken eren!”. Deze man is een dwaas, geen genie of probleemoplosser.

Ecomodernisten en hun liefde voor de natuur
“Frederik, vond je dan niets goed aan het boek?”
Nee, je hebt gelijk, ik schrijf hier wel heel veel over één kant van het verhaal. Sommige stukken waardeer ik wel. Met name de hoofdstukken van Rypke Zeilmaker wijn welkome proza in vergelijking met de rest van het boek. Hij schrijft verhalender en als een soort ode aan de natuur. Het is prettig om te lezen en optimistisch van aard, en dat stemt de lezer goed. Inhoudelijk gaan zijn hoofdstukken niet zo ver, ze zijn meer gericht op de emotie, wat bovenstaand inhoudelijk commentaar dus intact laat. Zijn hoofdstukken laten vooral zien dat ‘de Ecomodernist’ de natuur graag ziet en beleeft. Dat het zijn groene voelsprieten niet heeft verloren.
Wat me wel opvalt (minder bij Rypke en meer bij de anderen), is dat zij de natuur en de menselijke cultuur/technologie vaak als contradictie of dualisme behandelen. Dat wil zeggen dat in de manier waarop zij erover schrijven de natuur iets is wat buiten het menselijke plaatsvindt. Soms zelfs neigen zij naar iets wat in mij een bijna kinderachtig beeld liet voorstellen dat de natuur een bos loofbomen is waar de vogels in fluiten. Toen ik dit zo voorstelde herinnerde ik mij de woorden van Matthijs Schouten in de vpro Tegenlicht aflevering ‘Hoe duur is de natuur?’: “We zijn de natuur gaan zien als een hobby. Iets voor op de zondagmiddag.”
Zo zijn de ecomodernisten bijvoorbeeld vóór intensievere akkerbouw, zodat er op de overgebleven grond een mooi bos, ‘natuur’, kan ontstaan. Dat de natuur niet stopt bij de buitenkant van hekken van de akker en dat de effect van akkerbouw zich niet tot daarbinnen beperkt, laten ze in het midden. Dat er op die overgebleven stukken aarde ook gebouwd of andere akkerbouw kan ontstaan, noemen ze ook niet.

Een einde
Stromingen zijn aparte concepten. We scharen een groep mensen, die we niet kennen, onder een vaag gedefinieerde term en doen dan allerlei uitspraken over hen, of dat doet een groepje namens hen. Vaak worden stromingen bedacht door mensen buiten die groep. Soms door een aantal mensen, om zichzelf voor te doen als grote groep. Soms was het helemaal niet de bedoeling om een stroming te worden, maar om een bepaald denkbeeld te omschrijven. Misschien is dat laatste gebeurd met Ecomodernisme. Ik weet het niet, maar na deze introductie voel ik me teleurgesteld in de term. Dit komt door wát de ecomodernist denkt en hóé hij/zij denkt, althans wat en hoe de 7 auteurs van dit boek denken. Er zijn mensen die ten koste van de wereld willen leven en mensen die ten gunste van de wereld willen leven. De auteurs van dit boek uiten zich als de eerste groep mensen, maar ik hoop dat hun gedrag het tweede is.
Ik denk dan ook dat zal blijken dat deze auteurs niet representatief zijn voor het Ecomodernisme. Ik vind de naam namelijk wel wat hebben. We zouden het kind met het badwater weggooien als we geen gebruik zouden maken van uitvindingen en leringen die onze samenleving kent. Maar dat badwater stinkt en maakt het kind ziek. Als het ecomodernisme blijft redeneren vanuit behoud van de westerse consumptiecultuur, dan stikt zij het kind. Het Ecomodernisme is vatbaar als zij een variant toestaat. Een variant die gedragsverandering en consuminderen een groter aandeel geeft in haar gedachtengoed. Een variant die leert vanuit vroegere en andere culturen. Een variant die schrijvers vindt die naast populistisch ook inhoudelijk kunnen redeneren. Dát is een variant die wat kan bijdragen aan de verantwoordelijkheid die op onze schouders rust.

Next Post

Previous Post

© 2020 Theuwis.nl

Theme by Anders Norén